1863 Fort Altena wordt in 1847 gebouwd. Het Fort bij tol nr. 1, zoals het origineel heet sluit tezamen met een nabijgelegen batterij de weg van Gorinchem naar Breda en de Uppelse Dijk af. De oorspronkelijke naam verwijst naar de tol op de straatweg.
In 1863 wordt de brug over de gracht nieuw ontworpen en gebouwd. Deze vervangt waarschijnlijk de brug die de eerste jaren het fort toegankelijk heeft gemaakt. Er worden onder andere palen geheid om de brugpijlers te kunnen dragen en de toegangsweg tot het fort moet wat verlegd worden om de brug bereikbaar te maken.
Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC), toegang 343, inventarisnrs. 1549-1552 en 1585, 6665 en 6669.
1766-1795 Het grote inundatiegebied van de Baardwijkse overlaat tussen ’s-Hertogenbosch en Doeverden is gebaseerd op de vroegere waterbeheersingssituatie: bij overstromingen van de Maas zou het water weglopen van de stad ’s-Hertogenbosch. Uit de Middeleeuwen dateert al het idee om de waterhoogte van de Maas te beheersen via overlaten om de regio te behoeden voor onbeheersbare overstromingen. Overigens is het systeem niet altijd succesvol: tot in de negentiende eeuw vinden ter plaatse nog grote overstromingen plaats.
Vanaf 1766 wordt het systeem van dijken en sluizen ingezet voor militaire inundaties. De eerste werken worden uitgevoerd onder toezicht van luitenant-ingenieur G.E. Haberkorn en de dijk- en kribbaas A. van Helden. In de jaren tachtig voert kapitein-ingenieur Dalhoff de regie. Dat zijn kennis van het gebied niet alleen wordt gewaardeerd door de autoriteiten van de Republiek, blijkt wel uit het feit dat hij in 1795 een rapport schrijft voor de Bataafse Provisioneel Representanten over de drie dijkdoorbraken in Hedikhuizen op 18 februari 1795.
De kunstwerken ten behoeve van militaire inundatie blijven ook na deze periode in bedrijf. Pas met het graven van het Drongelens Kanaal tussen 1907 en 1911 verliest de overlaat zijn militaire functie.
Nationaal Archief, toegang 3.01.43: Archieven van de Contrarolleurs, later Contrarolleurs-Generaal van ’s Lands Werken en Fortifcatiën in dienst van de Provincie Holland en West-Friesland, inventarisnrs. 106 t/m 110 en 158 t/m 162.
’s Lands Drukkerij, Decreeten van de Provisioneel Repaesentanten van het Volk van Holland (van 1795), pagina 596.
Door Raymond Uppelschoten
|
Vesting in provincie Overijssel
1664 Al in de 15e eeuw was op de plaats van Blokzijl een sluis (zijl), met een versterkt turftolhuis (Blockhuys). De beschutte Havenkolk legt men aan omstreeks 1560. De vesting Blokzijl, wat zoveel betekent als ‘versterkte sluis’, ontstaat als Diederik van Sonoy in 1581 een fort laat bouwen bij de sluis in het kanaal van de Steenwijker Aa naar de Zuiderzee. In de tachtigjarige oorlog is Blokzijl één van de belangrijke strategische vestingsteden aan de Zuiderzee.
Na de Vrede van Munster, in 1648, wordt het met een deel van de Blokzijlse vestingwerken niet meer zo nauw genomen. De schippers van de stad krijgen in 1664vergunning van de Raad van State om de contrescarp, of de buitengracht van de vesting, te mogen gebruiken voor de aanvoer van gewassen. Dit deel van de vestingwerken wordt daarmee dus een soort loswal.
Gemeente Steenwijkerland, toegang 32: Fortresse/gemeente Blokzijl, inventarisnr. 1032.
Door Raymond Uppelschoten
|
Vesting in provincie Zuid-Holland
1673 De vestingstad Nieuwpoort ontvangt al in 1283 stadsrechten. Het maakt het onder andere mogelijk de stad te versterken, met de middeleeuwse vestingmethoden. Zoals bij veel Nederlandse vestingsteden blijkt een aantal eeuwen later dat de oude vestingwerken niet is opgewassen tegen zes- en zeventiende-eeuwse oorlogsvoering. Na de desastreuze verovering door de Fransen in 1672, wordt Nieuwpoort vanaf 1673 rigoureus versterkt volgens het Oudnederlandse vestingstelsel. Hiervoor worden tientallen panden gesloopt en honderden meters land afgegraven.
In 1673 publiceert het stadsbestuur een lijst van niet alleen huizen, maar ook bomen die zijn weggeruimd voor het fortificeren van de stad. Achter de lijst is een staatje gebonden van de renten en de erfpachten van de stad, die gelden op de huizen en erven, die ook voor die fortificatie zijn afgebroken en weggegraven.
Erfgoedcentrum DiEP te Dordrecht, toegang 794: Gemeente Nieuwpoort, inventarisnr. 382.
Door Raymond Uppelschoten
|
Vesting in provincie Zeeland
1685-1725 In 1703 committeren de Staten van Zeeland de Nederlandse sergeant-majoor Charles Loncque als commandant van Liefkenshoek en fort Lillo. Daarmee wordt zijn militaire en maatschappelijke loopbaan bekroond.
Charles is de zoon van en Adriaan Loncque en Susanna Everwijn. Zijn vader was tevens militair en gedurende zijn leven onder andere commandant van het garnizoen van Vlissingen. Na het overlijden van zijn eerste vrouw Johanna de la Palma in 1694, hertrouwt Charles in 1697 met de Susanna Verheije, dochter van de Zeeuwse raadspensionaris Jacob Verheije. Door dit huwelijk gaan alle deuren in Zeeland voor hem open. In 1701 wordt Loncque beleend met de heerlijkheid Oosterland. In datzelfde jaar besluiten de Zeeuwse Raden hem de majoorstoelage toe te kennen; hij is dan al sinds 1693 majoor van het Zeeuwse regiment Noyelle. Na de benoeming in 1703 als commandant van Lillo en Liefkenshoek volgen in 1704 ook het commandantschap van de forten Frederik Hendrik en de Kruisschans. Charles Loncque overlijdt in 1715.
Nationaal Archief, toegang 3.20.55: Familiearchief Steengracht, inventarisnrs. 228-245.
Zeeuws Archief, toegang 33.1: Handschriften, inventarisnr. 506.
Idem, toegang 470: Familie Ermerins-Wiltschut, inventarisnr. 1.
Door Raymond Uppelschoten
|
Vesting in provincie Limburg
1605-1703 In de Tachtigjarige Oorlog worden de kwartieren van het oude hertogdom Gelre gesplitst in tweeën. De noordelijke kwartieren komen onder gezag van de Staten Generaal, de zuidelijke blijven behoren aan de Spaanse koning. Kessel (latere gemeente in de provincie Limburg) ligt in één van die zuidelijke kwartieren, gewoonlijk genaamd Opper-Gelre.
Rond 1605 ontstaat er een geschil tussen de gerechten Kessel en Beesel. Aan het hof van Gelre dient dan een zaak tussen beide gerechten, die zogenaamde nabuurdiensten hebben verleend voor de onderhoud aan de schans of landweer, die Kesseleik aan de Maas verbindt met het noordelijk gelegen moerasgebied. De landweer is een lange, met doornen begroeide dijk, voorzien van greppels. Terwijl een landweer in vredestijd kan dienen voor het keren van vee, laat een geschrift uit 1421 niets te raden over, van de reden voor deze landweer van Kesseleik: tegen het ‘inrijden des heeren vianden van Hoerne’. De landweer is gebouwd kort voor 1371. In 1703 is er overigens nog sprake van een tweede schans in Kessel, tegenover het veer.
Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL), toegang 01.016B: Dorpsbestuur van Maasbracht, inventarisnr. 260.
Idem, toegang 01.038: Schepenbank Kessel, inventarisnr. 1.