Door Raymond Uppelschoten
|
Vesting in provincie Groningen
1767-1853 De linie van Helpman (tussen de buurtschap Helpman en de stad Groningen) wordt eind zeventiende eeuw ontworpen door Menno van Coehoorn. Na de bijna fatale veldtocht van de Munsterse bisschop ‘Bommen’ Berend in 1672, moet de linie de toegang tot de stad afsluiten. Deze zijde bleek in 1672 gemakkelijk te nemen via de Hondsrug, over de Hereweg. De linie bestaat uit een gebastonieerde gracht dwars op de Hondsrug.

Na 1700 vestigen zich steeds meer mensen tussen de zuidelijke stadswallen en de Helperlinie, zoals die ook wel werd genoemd. In 1767 verbiedt het stadsbestuur de jacht tussen de stad en de Linie van Helpman. Maar in 1844 is de functie van de linie echter al zover afgegleden dat de Minister van Oorlog toestemming geeft aan P. Belgraver voor het bouwen van vijf huizen tussen de vestingwerken van de stad Groningen en de linie van Helpman. Het hoogtepunt (of dieptepunt) van de Helperlinie in dezelfde periode is dat tussen 1843 en 1852 een nieuwe badinrichting wordt aangelegd in de gracht van de linie.
Groninger Archief, toegang 1399: Gemeentebestuur Groningen, inventarisnr. 7427.
Idem, toegang 1501: Verzameling losse stukken, inventarisnr. 7.
Idem, toegang 2188: Plakkaten en ordonnanties, inventarisnr. 724.
Door Raymond Uppelschoten
|
Vesting in provincie Utrecht
1752-1778 In de akten van transport van het Stadsgerecht Amersfoort treffen we allerlei verschillende aanduidingen aan van de Grebbelinie, die tot op enkele honderden meters de Amersfoortse muren nadert.
In de achttiende eeuw wordt er gesproken van de dijk, verschansing, het retranchement of de linie. Een enkele keer is er sprake van ‘waterlinie’. Opvallend is hoe vaak de benaming retranchement wordt gebruikt voor de complete liniedijk. In de tijd waarover we het hebben (achttiende eeuw) gold die benaming toch vooral voor een los vestingwerk, dat weliswaar kon bestaan uit een enkele wal, maar zeker niet een groot gepland en uitgestrekt werk zoals de Grebbelinie in die tijd al was.
Archief Eemland, toegang 12: Stadsgerecht Amersfoort, inventarisnr. 436 (diverse delen).
Door Raymond Uppelschoten
|
Vesting in provincie Gelderland
1587-1597 Eerder schreef vestingbouw.nl over de manier waarop in 1811 uit heel Nederland arbeiders voor de fortificatiën werden ingezet. Die inzet heeft een lange traditie.
De schans IJsseloord op de splitsing van Rijn en IJssel, wordt in 1585 ingenomen door de Staatse troepen na een beleg van zeven dagen. Vrijwel onmiddellijk begint het onderhoud aan de schans en in mei 1587 zijn in ieder geval arbeiders aan het werk. In 1589 worden de schouten van Apeldoorn, Ede, Barneveld en Ede aangeschreven om karren te sturen voor het werk aan de schans IJsseloord. In 1591 blijkt dat het dan niet anders is; de richters of schouten van Arnhem en Veluwezoom, die van Baer en Lathum worden allemaal opgeroepen om arbeiders te sturen naar de schans. Deze is nu zwaar beschadigd door het hoge water.
De opgeroepen arbeiders zullen een deel van 1.000 tot 1.200 gulden gaan opmaken, die een jaar eerder al door de Raad van State zijn begroot voor reparatie van de schans. Er bestaat dan al een correspondentie van twee jaar over onder andere 700 gulden voor reparaties, die is voorgeschoten door de Heer van Loenen. Even is men zo bang dat de Spanjaarden door de vertragingen een tegenschans zullen opwerpen, dat schippers worden geronseld om op de Rijn te patrouilleren tegen vijandige schepen en werklieden.
Gelders Archief, Regesten, diverse inventarisnrs.
1794 Terwijl de Fransen delen van het zuiden van Nederland al lang en breed bezet hebben, betalen de Staten van Utrecht aan de aannemer Duijbus voor zijn werk aan de Brabantse fortificatiën. Een post bij de Lindenburgse Veer over de Roosendaalse Vliet was in 1785 al besproken, maar toen niet uitgevoerd omdat de noodzaak leek te ontbreken. Met de ontwikkelingen in de nazomer van 1794 (grotere en acute dreiging van de Fransen), besluit de Raad van State de fortificatiën rond de veer toch uit te voeren.

De aannemer Duijbus krijgt van Utrecht 2.600 gulden betaald voor het maken van een zogenaamde vingerling (een ringdijk) op de Gorsen bij dit Lindenbergse of Klein-Gastelse Veer. Het is slechts het Utrechtse deel van de kosten van deze fortificatiën, die in 1794 nog worden begroot op ruim 400.000 gulden (ruim 180.000 euro). Dit soort bouwactiviteiten maakt het mogelijk inundaties te stellen van de Gastelse-, Oud-Lands- en Sint Maartenspolders, die dan ook op 25 september 1794 compleet zijn.
Het Utrechts Archief, toegang 233, Staten van Utrecht, inventarisnr. 265-191.
Nationaal Archief, toegang 4.OPG: Plans van Gebouwen en Modeltekeningen van het archief der Genie van het Ministerie van Oorlog, inventarisnr. BB311.
Idem, toegang 4.OPV: Plans van Vestingen der Genie van het Ministerie van Oorlog, inventarisnrs. S152 t/m S158.
Idem, toegang 4.OSK: Situatie Kaarten afkomstig van het archief der Genie, inventarisnr. B128.
Door Raymond Uppelschoten
|
Vesting in provincie Utrecht
1817-1849 De ontwerpen voor een fort in de Utrechtse polder De Gagel dateren al uit 1817. Fort De Gagel wordt tussen 1819 en 1821 aangelegd als een aardwerk als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie rondom Utrecht. Het sluit bij inundaties de toegang af via de Gageldijk, Kerkeindse Dijk en Klopdijk. Tevens beschermt het de inundatiesluizen in dit gebied.In eerste instantie wordt alleen een L-vormige aarden wallen met opstelplaatsen voor het geschut aangelegd, omgeven door een gracht. In 1830 tekent 2e luitenant-ingenieur Snoeck een kaart van de ‘limitering en beplanting van de redoute aan de Gagel’. Het is de uitwerking van een notitie van luitant Lexau Rijsterborch, getiteld ‘Bepaling van de limiet van de post aan de Gagel’. Van de vroege inundatieontwerpen resten nog de profielen van het gebied tussen het fort aan de Gagel tot aan de herberg bij de Klop (waar ook een fort zou komen).
Vanaf 1848 werd het toenmalige werk ingrijpend gewijzigd. De eerste tekeningen van de veranderingen uit 1846 berusten in Utrecht en zijn van een reduit binnen het aardwerk. Een reduit is een zelfstandig te verdedigen werk binnen een fort. In 1849 worden tekeningen gemaakt van een gemetselde reduit binnen de wallen van De Gagel. Ook worden nieuwe ontwerpen gemaakt voor het eigenlijke redoute, dat de jaren daarna zou uitgroeien tot een volwaardig fort. Na de veranderingen van 1848 wordt het fort namelijk op twee momenten opnieuw veranderd. Er wordt achtereenvolgens een versterkt wachthuis, een bomvrije kazerne en remise gebouwd, die de herinnering aan de oorspronkelijke redoute voor altijd doen vervagen (foto: Het Utrechts Archief).
Het Utrechts Archief, toegang 417: Archief van de eerstaanwezend ingenieur der genie buiten zuid-holland te amersfoort en utrecht, inventarisnr. 1019.
Het Nationaal Archief, toegang 4.OGT: Archief van kaarten en tekeningen van de afdeling Genie van het ministerie van Oorlog, inventarisnr. 296.
Idem, toegang 4.OPG: Plans van Gebouwen en Modeltekeningen van het archief der Genie van het Ministerie van Oorlog, inventarisnr. H106.
Idem, toegang 4.OPV: Plans van Vestingen der Genie van het Ministerie van Oorlog, inventarisnrs. H699, H700 en H701.
Door Raymond Uppelschoten
|
Vesting in provincie Zuid-Holland
1637-1782 Al eerder schreef vestingbouw.nl over de economische functie van de vestingwerken van Brielle, met name de begrazing ervan door het vee, in vredestijd. Dat zien we echter niet alleen bij de wallen, of de aardwerken buiten de stad. We zien het ook in de ontwikkeling van een actieve schans tot een dijk, die niet eens meer herinnert aan de oude functie.
De Grote Schans bij Brielle heeft in de Tachtigjarige Oorlog een duidelijke strategische functie. In 1604 wordt er nog melding gemaakt van het gereed maken van de schans en de gehele polder Kleiburg waarin deze is gelegen, omdat vijandelijke troepen rondtrekken. Zo ernstig lijken de dreigingen later niet meer te zijn, want tenminste tussen 1637 en 1782 vormen delen van de schans zelf onderwerp van handel tussen de verschillende eigenaren en pachters van de grond. Op het moment dat de herinnering aan de functie van de schans nog levendig is (1652) geldt de dijk nog als deel van de Grote Schans. In verschillende overeenkomsten is er dan sprake van een ‘dijkstuk genaamd het Contrescarp van de Groote Schans, gelegen in Cleijburch’. In 1724 geldt de oorsprong van het stuk land veel minder en spreekt men slechts van ‘een dijk genaamd het Contrescarp’. Op de ongedateerde kaart van de polders van Klein Oosterland en Kleiburg, door H. van de Dijck (zie afbeelding), is de schans nog slechts een toponiem en herinnert alleen een vage perceelvorm aan de Grote Schans uit de Tachtigjarige Oorlog.
Streekarchief Voorn-Putten en Rozenburg, toegang 36: Ambacht Klein Oosterland, inventarisnrs. 45, 82, 365, 404 en 422.